site stats

Geschiedenis van de film: Rise of Hollywood

Aan het begin van de twintigste eeuw verkeerde het filmbedrijf in een algehele anarchie. Het gebrek aan een duidelijke regelgeving leidde tot de illegale duplicatie en masse van films en apparatuur. Daarnaast was er dringend nood aan een grondige professionalisering van de filmproductie, wat ook gebeurde in de eerste jaren na 1907. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar nieuwe films, kwam de nadruk vooral te liggen op snelheid en kwantiteit. Films werden opgenomen op één dag, met een budget van $200 tot $500 en duurden nooit langer dan zestien minuten. Om het productieproces te versnellen, werden ‘filmfabrieken' opgericht waar films ‘aan de lopende band’ werden geproduceerd. De taken werden duidelijk verdeeld en er werd steeds meer gewerkt met kunstlicht en scenario’s.

Films werden in het begin van de twintigste eeuw 'aan de lopende band' geproduceerd, zoals hier in de Edison Studio's.

De oprichting van de Motion Picture Patents Company (MPPC) in 1908 diende een eind te maken aan de chaotische toestanden in de filmwereld. De MPPC (of Trust) was een vereniging van de tien grootste filmproducten van dat moment en dit onder de gedeelde leiding van grote spelers Edison en Biograph. Door rechtszaken aan te spannen tegen kleine, onafhankelijke filmmakers (of door te dreigen met geweld), wist deze organisatie vrij snel een monopoliepositie te bemachtigen. De MPPC's scherpe inspanningen alle concurrentie uit te schakelen (en zelf elk segment van de industrie in handen te krijgen), had een omgekeerd effect en leidde tot het succes van de Independents. Deze laatste groep filmmakers introduceerden de langspeelfilm (feature film) of multiple-reel film; de MPPC hield vast aan de one-reel film van maximaal 16 minuten omdat zij van mening was dat films met een langere speelduur nooit zouden worden geaccepteerd door het publiek. Het enorme (kas)succes van de Franse four-reel film Les Amours de la Reine in 1912, en kort daarna van de Italiaanse nine-reel spektakelfilm Quo Vadis? schepten een precedent en maakten duidelijk dat de strategie van de MPPC had gefaald. Tot tweemaal toe echter getuigde de Trust van weinig marktinzicht toen zij ook het starsysteem van de Independents hardnekkig afzwoer. De hoofdrolspelers van de Independent-producties werden in het licht van de schijnwerpers geplaatst en groeiden uit tot heuse wereldsterren, idolen voor het publiek. De MPPC op zijn beurt vreesde dat een te grote publiciteit van hun acteurs/actrices (door onder meer hun echte naam te gebruiken) zou leiden tot een forse verhoging van de salarissen. Filmacteurs/actrices uit MPPC-producties werden dan ook vaak gewoonweg aangeduid met de naam van de filmproducent met wie ze een belangrijke film hadden gemaakt (the Biograph girl). In 1918 zou de Motion Picture Patents Company definitief het loodje moeten leggen voor de Independents. Slechts een handvol filmliefhebbers/filmhistorici kan zich de namen herinneren van de ooit zo befaamde filmproducenten van de MPPC, slechts een handjevol idioten herkent geen enkele naam uit volgende lijst: Paramount, Universal, Metro-Goldwyn-Mayer, Fox, Warner Bros. en Columbia. Deze zeven independents namen het op tegen het veel machtigere MPPC, en zouden na verloop van tijd datgene verwezenlijken waarin de Trust zelf nooit geslaagd is: een volledige controle over elke schakel (productie, distributie en exploitatie) van de filmindustrie. Ze zijn nog steeds het hart van de filmwereld en niemand twijfelt eraan dat dat over 50 jaar anders zal zijn.

Het is in deze zelfde periode (1907-13) dat de filmindustrie zich vestigde in Hollywood. Voordien concentreerden de filmstudio's zich vooral in het Oosten van de Verenigde Staten (met als voornaamste centrum Chicago). Hollywood was om meer dan één reden de thuisbasis bij uitstek voor de productiebedrijven van zowel de Independents als de MPPC. Vooreerst is daar het heel erg gunstige klimaat (meer dan 300 dagen zon) waardoor buitenopnames snel en vaak ononderbroken kunnen worden ingeblikt. Ook de verscheidenheid aan natuurschoon (in Hollywood heeft men op een erg korte afstand van elkaar bergen, valleien, meren, eilanden, woestijnen en de Stille Oceaan) maakte van Hollywood een ideale locatie om verschillende soorten films op te nemen. Tenslotte was ook de nabijheid van goedkope arbeidskrachten (vnl. uit Mexico) een belangrijke factor in de keuze voor de westkust van Californië.

The rise of Hollywood to international dominence was verzekerd door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog op het oude continent. De één z'n dood is de ander z'n brood, zeg maar, want deze oorlog schakelde de Europese competitie (tijdelijk) uit. De Europese filmindustrie werd letterlijk een oorlogsindustrie (dezelfde chemicaliën die gebruikt werden bij de productie van celluloid waren nu nodig voor de fabricatie van buskruit) en tegen 1918 was de VSA goed voor de productie van zowat alle films in de wereld (tegenover de helft in 1914). Laten we tenslotte nog even onze blik werpen op die Europese film voor 1914, en in het bijzonder op de Franse en Italiaanse cinema in deze periode.

De filmindustrieën van Frankrijk en Italië leidden de wereldcinema op commercieel en artistiek vlak in het eerste decennium van de vorige eeuw. Charles Pathé wordt wel eens ‘de Napoleon van de cinema' genoemd omdat deze Fransman erin slaagde op enkele jaren tijd een imperium uit te bouwen dat Frankrijk tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog de controle gaf over de internationale filmmarkt. In 1908 verkochten de gebroeders Pathé in de VSA twee keer zoveel films als alle andere Amerikaanse filmproducten tezamen en beide broers zijn tevens verantwoordelijk voor de totstandkoming van de filmindustrie in Australië, Brazilië, India en Japan. De enige concurrent op Franse bodem was Gaumont Pictures, vier keer zo klein als Pathé, maar door het toedoen van Louis Feuillade zou Gaumont de Franse cinema gaan beheersen tijdens de oorlogsjaren en kort daarna. Feuillade maakte Gaumont (en zichzelf) wereldberoemd met zijn politiereeks Fantômas, over de avonturen van de mysterieuse Franse supercrimineel Fantômas en de beredeneerde politiedetective Juve tussen wie een heus kat en muisspel plaatsvindt. Voor alle lezers uit Leuven, of voor diegenen die Leuven kennen, is vooral de eerste aflevering van het laatste seizoen Le Faux Magistrat uit 1914 erg interessant. Deze episode bevat namelijk enkele fraaie beelden (17.15 tot 19.45) van Leuven (gevangenis, station, oude markt) voor de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog.

Een scène uit Enrico Guazzoni's Quo Vadis? (1913).

De Italiaanse cinema tenslotte verwierf voor het begin van de Eerste Wereldoorlog wereldfaam met superspektakels als Quo Vadis? (1913) en Cabiria (1914). Het onderwerp van dit soort films werd in de regel geplukt uit het roemrijke Romeinse verleden van de Italianen en deze historische prenten vertonen opvallend veel gelijkenissen met veel latere films als Ben-Hur en Spartacus. Cabiria bijvoorbeeld, een episch verhaal ten tijde van de Tweede Punische Oorlog tussen Rome en Carthago, bevat de meest monumentale driedimensionale decors ooit gemaakt voor een langspeelfilm. Het is bovendien de eerste film die werkte met zogenaamde tracking shots, waarbij de camera op een dolly of een kraan naar beneden ‘glijdt’. Deze beweging werd lange tijd aangeduid met de term ‘cabiria movement’. De film kostte $100.000, maar door het enorme succes werden deze productiekosten ruimschoots terugverdiend, en is Cabiria meteen ook één van de eerste blockbusters uit de geschiedenis van de film.

COMING SOON ON STEW.BE: D.W. Griffith en de ontwikkeling van de langspeelfilm.

      
Geschreven door Stefaan

1 Reactie

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *