site stats

Woefwaf

Werken in de rechtenbibliotheek is in hoofdzaak een saaie bedoening, maar heel af en toe kan een bepaalde opzoeking me doen glimlachen. Zo ook onderstaand vonnis van de Politierechtbank van Brugge van 22 februari 2007. Het spreekt voor zich: het Openbaar Ministerie had deze zaak gewoon moeten seponeren.

POLITIERECHTBANK TE BRUGGE, 20 februari 2007 NJW 160, 328
Een hond die plaats neemt op de passagiersstoel naast de bestuurder houdt zonder bijkomende vaststellingen geen inbreuk in op artikel 8.3 al. 1 Wegcode.

Tenlastelegging
Als weggebruiker of bestuurder op de openbare weg niet in staat geweest te sturen of niet de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid te hebben bezeten.

Voornaamste feitelijke elementen
Op 10 maart 2006 werd proces-verbaal opgemaakt wegens een inbreuk op art. 8.3 AVR. In het PV staat dat “witte hond vooraan in auto op passagierszetel”. De auto in kwestie was een Volkswagen Golf.

Beklaagde schreef: “Ik bevestig dat een witte hond inderdaad vooraan in de passagierszetel zat, maar verzeker u hierbij dat de hond geenszins mijn rijbewegingen belemmerde, daar de hond met leiband was vastgemaakt aan de passagierszetel.”

De verbalisante repliceerde met de boodschap dat beklaagde op 10 maart 2006 omstreeks 8u25 met haar Volkswagen Golf langs de Torhoutsesteenweg te Oostende reed en dat er naast haar een grote hond op de passagierszetel zat.

“Op het ogenblik van de vaststelling zat het dier stil en keek voor zich uit. Ik heb een overtreding vastgesteld volgens art. 8.3 AVR: bestuurders moeten in staat zijn te sturen qua kennis en lichaamsgeschiktheid + alle rijbewegingen, kunnen uitvoeren, een voertuig besturen, alert zijn in het verkeer, kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden en manoeuvres uitvoeren, lijkt mij zeer onveilig en onmogelijk met een dergelijk groot dier naast je in het voertuig dat niet is vastgebonden.”

Beklaagde werd gedagvaard uit hoofde van een inbreuk op art. 8.3.1 AVR dat zegt dat elke bestuurder in staat moet zijn te sturen en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid moet bezitten.

Beoordeling
De Rechtbank beschikt over bijzonder weinig informatie: het enige wat vaststaat is dat een grote witte hond op de passagierszetel naast beklaagde zat en dat hij of zij (want het geslacht van het dier blijkt niet uit het strafdossier) recht voor zich uitkeek. Over het ras van het dier ontbreekt elke informatie. Vast staat wel dat het niét ging om een Dalmatiër: dat zijn immers uit hun aard witte honden met zwarte vlekken en de verbalisante heeft klaarblijkelijk geen vlekken gezien, hoewel zij haar vaststellingen deed op klaarlichte dag (half maart is het om 8u25 al klaar).

Een herdershond kan het evenmin geweest zijn, want die zou in zijn poot zijn dagboek hebben vastgehouden en de verbalisante heeft geen melding gemaakt van een “dagboek van een herdershond”. Een poedel zou het eventueel wel kunnen geweest zijn, want die bestaan in zwarte, in bruine en in witte uitvoering, maar die zijn doorgaans dan weer niet groot, terwijl de verbalisante zeer uitdrukkelijk heeft gepreciseerd dat het ging om een “grote” hond.

Precies dit gegeven laat ook toe met zekerheid te stellen dat het niét ging om een chihuahua. Uit de bijzondere, nuttige precisering dat het dier voor zich uit keek, kan afgeleid worden dat de verbalisante speciale aandacht heeft gehad voor de ogen van de hond. Het was blijkbaar geen pekinees, want in dat geval zou net de verbalisante ongetwijfeld opgevallen zijn dat hij, zoals alle inwoners van Peking, spleetogen had en zij zou dat dan zeker vermeld hebben.

Over de vraag of de hond de veiligheidsgordel had omgelegd, ontbreekt eveneens alle informatie. Ook in dit verband ware het nuttig geweest te weten om welk ras het ging. Een boxer bvb. heeft uit zijn aard een platte neus, zodat het niet zo heel veel zou uitmaken indien hij bij een ongeval met zijn snuit tegen de voorruit zou slaan.

Een collie daarentegen heeft een spitse snuit, zodat hij een ernstige blijvende invaliditeit en een belangrijke esthetische schade zou kunnen oplopen indien hij bij een eventuele aanrijding door de niet-gordeldracht tegen de voorruit zou terechtkomen. Het is ook niet bekend of het dier een korte stompe staart had, dan wel een soort lange pluimstaart waarmee het kwispelde. Bij een ongeval is het risico op een staartbreukje in het ene geval natuurlijk groter dan in het andere.

En ook onbekend is of het ging om een hond met korte, spitse rechtopstaande oortjes, dan wel om een hond met lange, slappe en naar beneden hangende flaporen, die bij een eventueel ongeval kunnen scheuren, waardoor het dier doof kan worden. Dit zou voor het beest een enorm inkomstenverlies en een zware aantasting van zijn economische waarde op de arbeidsmarkt teweeg brengen. Immers, een dove hond hoort inbrekers niet en verliest bijgevolg zijn waarde als waakhond.

Bij gebreke aan meer concrete en bewijskrachtige gegevens moet de Rechtbank dan ook besluiten dat niét bewezen is dat de loutere aanwezigheid van een grote, witte hond, die stil zat op de passagierszetel van een wagen, recht voor zich uitkeek en noch boe noch ba, noch woef noch waf zei, noodzakelijkerwijze zou impliceren dat beklaagde, bestuurster van die wagen, niet meer in staat was te sturen of niet meer over de nodige lichaamsgeschiktheid, kennis en rijvaardigheid beschikte. Zij moet dus worden vrijgesproken.

Noot: tegen dit vonnis werd geen beroep aangetekend.

      
Geschreven door Stefaan

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *